Toelating

Een gewasbeschermingsmiddel is verboden, tenzij het is toegestaan.

Dat is het uitgangspunt van het toelatingsbeleid van gewasbeschermingsmiddelen. Een nieuw middel wordt dus pas toegelaten als het aan alle wettelijke eisen voldoet. De toelating is bovendien slechts geldig voor een beperkte periode. Daarna wordt opnieuw bekeken of het nog wel voldoet aan de nieuwste eisen en inzichten. Een toegelaten gewasbeschermingsmiddel mag niet zomaar in elk gewas worden gebruikt. Voor elk gewas moet een afzonderlijke toelating worden aangevraagd. Zo kan een toegelaten middel voor ijsbergsla niet zomaar worden ingezet bij de teelt van eikenbladsla.

Wet- en regelgeving ten aanzien van toelatingen
De toelating van gewasbeschermingsmiddelen is in Nederland vastgelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Dit is een raamwet, wat betekent dat veel uitvoeringsmaatregelen en criteria in besluiten, ministeriële regelingen en reglementen zijn vastgelegd.
Binnen de Europese Unie wordt het toelatingsbeleid van de verschillende EU-lidstaten steeds meer op één lijn gebracht. Deze Europese harmonisatie is in 1991 vastgelegd in de Europese 'Richtlijn van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen' (91/414/EEG).
Deze richtlijn schrijft voor dat werkzame stoffen die na een centrale Europese beoordelingsprocedure zijn goedgekeurd, op een 'positieve lijst' komen te staan. Deze lijst is opgenomen als Annex I van deze richtlijn. Afzonderlijke lidstaten laten gewasbeschermingsmiddelen toe die gebaseerd zijn op werkzame stoffen uit Annex I. Als een middel in één lidstaat is toegelaten, zullen andere lidstaten vanuit het principe van 'wederzijdse erkenning' in beginsel ook een toelating verlenen. Een lidstaat mag echter wel aanvullend beleid ontwikkelen vanwege specifieke nationale omstandigheden, zoals in ons land de hoge grondwaterstand, en kan op basis daarvan alsnog een toelating weigeren.

Toelatingsprocedure
Een fabrikant die een gewasbeschermingsmiddel op de Nederlandse markt wil brengen, dient hiervoor een aanvraag in bij het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb). De fabrikant dient een uitgebreid dossier in, met daarin onder andere onderzoeksgegevens over:

  • de effectiviteit van het middel
  • mogelijke risico's voor de toepasser
  • mogelijke risico’s voor de consument
  • mogelijke risico’s voor het milieu

Zo bevat het dossier informatie over de snelheid waarmee het middel na toepassing afbreekt in bodem en water. Middelen die niet snel genoeg afbreken, kunnen namelijk in het grondwater terechtkomen, dat weer als grondstof voor drinkwater dient.
Het Ctgb kijkt eerst of de aanvraag alle noodzakelijke gegevens bevat. Hierna wordt het ingediende dossier geëvalueerd en samengevat. Dit werk besteedt het Ctgb vaak uit aan instellingen als de Plantenziektenkundige Dienst, het RIVM of TNO. Na de evaluatie beoordeelt het Ctgb het dossier en besluit of het middel toelaatbaar is volgens de toelatingscriteria van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het Ctgb besluit ook over verlenging van bestaande toelatingen.